K. Meijlink, Eigen wijs. Kritisch denken in 33 lemma’s

 

 

 

 

 

Budel, Damon, 2017

152 p., ISBN 9789463401210, € 14,90

 

 

inhoudachterflap

 

Het eerste wat uw recensent aan dit boekje opmerkte, behalve het zwarte schaap met witte bles en staart dat op de kaft de verkeerde kant oploopt, was de alfabetische ordening van de 33 lemma’s in de inhoudsopgave. Die opsomming begint met nummer 1 ‘abductief redeneren’ en sluit af met nummer 33 ‘wat maakte een tekst een goede tekst?’

Na lezing van Eigen wijs. Kritisch denken in 33 lemma’s bleek gelukkig dat de op beginletter geordende inhoudsopgave geenszins blijk gaf van gemaniëreerde slaafsheid of gebrek aan creativiteit. Het was vooral een creatief grapje. Inhoudelijk zit het wel goed met auteur Kees Meijlink: het zwarte schaap loopt zeer wel in de juiste richting!

We hoeven niet heel uitgebreid te spreken over Eigen wijs, en zeker niet op een zorgelijke manier. De Kees Meijlink, heeft een leuke, toegankelijk en laagdrempelig inleiding gemaakt tot kritisch nadenken.

In Eigen wijs gaat het over wat we zoal in onze leefwereld aantreffen: onszelf, de politiek, ethische vraagstukken, maar ook bijvoorbeeld retoriek die met de logica een loopje neemt, valse en ware argumentatiewijzen. Actuele vraagstukken worden daarbij niet geschuwd, wat ook tot lezen aanzet.

Aantrekkelijk aan Eigen wijs is bovendien dat het van een pedagogisch ideaal uitgaat, namelijk de leerdoelentaxonomie van Benjamin Bloom. Deze leerdoelenladder loopt op in graad van moeilijkheid van onthouden, begrijpen, toepassen, analyseren, evalueren naar de hoogste trede, creëren.

Zo wordt de lat wel erg hoog gelegd, want een ingewikkeld vraagstuk – bijvoorbeeld klimaatverandering – begrijpen of de uitkomsten van complex statistisch onderzoek kunnen toepassen in de praktijk, staat laag op de ladder maar is al een heel ding. Echter, dat de lat hoog ligt, daar is natuurlijk niets mis mee.

Heel kort samengevat: Eigen wijs is een helder en bevlogen pleidooi voor nieuwsgierigheid en kritische zin, dat zich richt tegen intellectuele gemakzucht en kortzichtigheid. Het is daarmee een prima inleiding voor wie zijn verstand wil scherpen.

       Uw recensent veroorlooft zich één puntje van kritiek. Met een beroep op Jürgen Habermas stelt de auteur (inleiding, p. 17) dat het bij ‘de inrichting van de maatschappij’ minder gaat om overtuigingen dan om ‘spelregels die met elkaar zijn afgesproken’. Dit is niet volledig (on)juist.

Habermas vindt wel degelijk dat overtuigingen in het publieke debat een rol (moeten) spelen, maar dat gezagsargumenten – God, bijbel of een snedig citaat van een filosoof uit de Oudheid – niet volstaan om overtuigingen te doen gelden. Álle deelnemers aan het debat moeten gebruik maken van een algemeen toegankelijke, gedeelde taal.